Dorestad: handelsplaats op de plek waar de Kromme Rijn en de Rijn bij elkaar kwamen. Vroeger waren er nog geen goede en veilige wegen, dus het meeste vervoer ging over waterwegen. Daar lagen dus ook de handelsplaatsen aan. Eerst waren dat alleen een soort tijdelijke markten, later bleven mensen er omheen wonen. Dorestad was tussen ca. 650 en 850 in de Lage Landen een belangrijke en internationaal bekende handelsplaats. Doordat de rivieren al verder van de stad af kwamen te liggen en door de Vikingaanvallen is Dorestad uiteindelijk verdwenen. Het lag vlakbij de huidige plaats Wijk bij Duurstede. In het museum daar is veel info te vinden.
Drakkar: langwerpige boot van Vikingen met vaak een drakenkop voorop. Het waren snelle schepen, die ze gebruikten voor rooftochten.
Halle: grote, langwerpige boerderij, met een woongedeelte en een stalgedeelte . Het skelet was van hout gemaakt, de muren van stro en leem. De daken waren vaak van materiaal wat makkelijk te vinden was: riet of grasplaggen. In een halle woonden soms wel twintig mensen. De belangrijkste plek was de vuurplaats, daaromheen waren de zit- en slaapplaatsen.
Jarl: Scandinavische hoofdman. De trouw van zijn onderdanen en krijgers kocht hij met geschenken.
Karel de Grote: koning van de Franken, die grote delen van Europa veroverde met geweld. Hij liet zichelf door de paus tot keizer van het Heilige Roomse Rijk kronen in het jaar 800. Enkele van zijn paleizen stonden in Nijmegen en Aken.
Lage Landen: ongeveer het gebied dat nu Nederland is.
Noordman: door de mensen uit de Lage Landen gerbuikte naam voor Scandinaviërs.
Oude goden: duizend jaar geleden geloofden nog veel mensen, vooral in het noorden, aan de oude Germaanse goden. De belangrijkste goden waren Odin, Thor en Freya. In Holland heetten deze goden Wodan, Donar en Freija.
Prediker: christelijke priesters trokken er op uit om mensen te bekeren tot het Christendom. Vaak hadden ze hulp van de plaatselijke koning, soms ook niet. Ze probeerden de mensen ervan te overtuigen, dat hun goden geen macht meer hadden. Dit ging niet altijd goed, zo is de prediker Bonifatius in Friesland gedood in 754.
Rune: Scandinavisch letterteken, dat vaak gebruikt werd voor magische bezweringen en om contact met de goden te leggen.
Schatting: zo noemden ze belasting in die tijd.
Skjald: vaak rondreizende dichter/ zanger in Scandinavië, die oude liederen en zijn eigen liederen zong voor geld of voedsel en onderdak .
Ultrajecht: oude naam voor Utrecht. De Romeinen stichtten een legerplaats langs hun noordgrens en verlieten het een paar honderd jaar later. Er bleven mensen wonen en in de 6e eeuw bouwde de prediker Willibrord er een stenen kerkje. Het werd een belangrijke plaats voor de christelijke kerk. Pas toen Dorestad verdween, werd Utrecht belangrijker.
Viking: benaming voor Scandinaviërs, die zij zelf gebruitken. Letterlijk betekent het: bewoner van de fjorden (vik).
Zwartalven: andere naam voor dwergen, die volgens de verhalen onder de grond woonden. In de verte familie van elfen, al zijn zowel de dwergen als de elfen daar niet erg blij mee.