Dit boek is te koop via Freemusketeers.nl en Bol.com

De Hamer van Thor

Hoofdstuk 1 Gevangen

Iduna
Hooimaand AD 838

Vuur, vlammen, ijselijke kreten, rennende mensen die als koploze kippen elkaar omver lopen, waanzin en doodsangst! Jaaaa, maak ze allemaal maar af! Vermoord ze allemaal maar! Al die stomme grote mensen, al die stomme betweterige monniken en namaakouders hier in de veste.
Waarom hebben de Noordmannen hen niet ook vermoord? Waarom alleen die mensen van de lage kades? Hier in de veste is toch veel meer te halen? Goud en zilver in de schatkamers en de kapel en dure stoffen en kruiden in de voorraadkamers. Beneden aan de kades wonen de armste mensen en staan alleen de pakhuizen. Nou ja, die pakhuizen hebben ze ook in brand gestoken, net als het kerkje aan de rivier en alle houten huizen daar. Nu alle voorraden verbrand zijn, verhongeren ze dan misschien alsnog van de winter, die stomme landheer met zijn vrouw. Zij, die zich mijn vader en moeder durven noemen! Nee, dat zal wel niet, ze zijn rijk genoeg om graan uit het Saksenland te laten halen. Dus verhongeren zit er ook al niet in.
Ze zijn weer weg, de Noordmannen. Gisteren, nog voordat de hanen kraaiden, lagen ze opeens voor de kades van Dorestad. Nog voordat de meesten wakker waren, renden ze al rond in de stegen en sloegen de deuren van de huizen in, op zoek naar buit. Maar de rijkste mensen zijn ondertussen wel wijzer geworden na de vorige aanvallen en hebben hun huizen steviger laten herbouwen op de hogere gronden, verder weg van de haven. Omdat de Noordmannen niet veel buit konden vinden, hebben ze alles in de fik gestoken, zeggen ze in de veste. En branden deed het! Na twee manen zonder een spatje regen was al het hout van de huizen en het riet van de daken kurkdroog en binnen de kortste keren stond de hele benedenstad in lichterlaaie! Iedereen was in paniek en de Noordmannen hakten doodleuk al die rondrennende mensen in mootjes. En dan die priesters daartussendoor, hel en verdoemenis prekend. Alsof hun dag des oordeels al was aangebroken! Die rare lui met hun kruizen voor zich uit houdend; alsof dat hen kon helpen. Nou ja, voor hen was het eigenlijk wel zielig en ook voor die arme mensen die niet meer konden wegkomen.
Hier in de veste waren we veilig, de woontoren is zelfs van steen. Sommigen zeggen dat die al door de Romeinen of Franken gebouwd is. Misschien wel door Carolus de Grote zelf, de grote Frankenkeizer. Toch zijn ook hier de wallen van aarde met houten palen erop en de meeste gebouwen gewoon van hout. Maar met al die soldaten durfden de Noordmannen hier niet te komen. De dikke priester van vrouwe Hildegonda stond ach en wee te roepen voor de schietgaten, maar stak geen hand uit om die arme donders te helpen. En hij heeft altijd zo zijn mond vol over naastenliefde! Nou ja, eigenlijk meer vol met eten, als je zijn buik bekijkt.
Die vervelende vrouwe Hildegonda! Die vrome kwezel met al haar bijbels en kruizen en heiligen om zich heen! Nu wil ze dat ik ook zo’n heilige word. Nou, mooi niet! Ik in een klooster, nooit van mijn leven! Zeker de hele dag bidden en hard werken tussen vier muren. En nooit meer de wind door mijn haren voelen en rondrennen in het bos. Mij niet gezien!
Hè, waarom moest ik haar ook opvallen! Tot de vorige herfst bekommerde niemand zich om me en kon ik lekker mijn eigen gang gaan. Nou ja, zo ongeveer dan. Frikke van de keuken zorgde een beetje voor me. Ik deed af en toe wat karweitjes voor haar en verder hoorde ik bij de vele kinderen die in en rond de veste zwierven. De meesten wisten niet eens of ik een jongen of meisje was en ik zorgde er wel voor, dat ze daar ook niet achter kwamen! Kon ik lekker mee als de hoge heren op jacht gingen, het wild verzamelen en de kunst van het boogschieten afkijken! Later oefende ik dat dan met mijn zelfgemaakte boog op het veldje achter de wal. Of ik zette strikken met de andere kinderen om wat kleinwild te vangen en samen te roosteren in het bos. Want het jachtvlees van de herten is alleen voor de hoge dames en heren, niet voor ons. Wij kregen brood en pap en voor de rest moesten we zelf ons kostje bij elkaar scharrelen. Nou, dat deden we! Fruit en noten uit de boomgaard of het drooghok, kaas uit de zuivelkamer, wild uit het bos, we kwamen niet om. Vaak hadden wij beter te eten dan die arme drommels uit de stad bij de rivier, die de hele dag hard moesten werken in de haven of de pakhuizen voor een paar koperstukken. En dan komen de Noordmannen en worden ze ook nog als eerste afgeslacht. Waarom kwamen de Noordmannen niet naar de veste om dààr te vechten? Natuurlijk door de soldaten van heer Hludvic.
Tegen de tijd dat de Noordmannen door de wirwar van steegjes van de benedenstad heenwaren en naar de bovenstad met de veste onderweg waren, waren de soldaten eindelijk aangekleed en trokken onder aanvoering van mijn dappere “vader” de aanvallers tegemoet. Ze hebben er nog wat vermoord en gevangen genomen, ja, ze hadden zelfs het geluk dat ze de zoon van de aanvoerder te pakken hebben gekregen. Tenminste, dat zeggen ze. Ik heb hem uit de verte gezien, toen ze de gevangenen in triomf terugvoeren. Nou, hij zag er niet erg belangrijk uit met zijn verwarde bos wit haar en boze ogen en vieze, gescheurde kleren.

Waar was ik? O ja, ik ben Iduna, ben veertien winters oud en heb blond haar, dat over mijn schouders valt en dat ik vaak vlecht, dan heb ik er tenminste geen last van. Mijn moeder noemde me altijd fijngebouwd, de andere kinderen schelden me soms uit voor dunne spriet en vrouwe Hildegonda vindt het maar niets dat ik er vaak als een jongen bijloop. Sinds vorige herfst moet ik zeggen dat ik Liduina heet, want dat is een nette, christelijke naam, zegt Hildegonda, mijn nepmoeder. Maar ik heet Iduna! Ik ben genoemd naar de godin van de lente, die de boomgaard met de appels van de eeuwige jeugd verzorgt voor de andere goden. Vrouwe Hildegonda zegt dat dat heidense verzinsels zijn, die een vroom meisje niet passen, maar ik ben niet vroom en geloof niet in háár verzinsels! En als hij slim was, zou heer Hludvic dat ook niet moeten doen! Maar hij laat haar haar gang maar gaan met dat gebid en gepreek en al die priesters in de veste. Iedereen wordt er niet goed van! We moeten de hele tijd bidden en knielen en hebben niet eens meer tijd om te werken. En als je een keer een naam van een oude god noemt, duikt er opeens weer zo’n kaalkop in een bruine pij achter je op die zegt dat je een vieze heiden bent. En dat je als boete drie weesgegroets moet bidden. Alsof je lam schrikken niet genoeg straf is!
Nee, heer Hludvic vindt het allemaal wel prima. Die heeft het veel te druk met jagen en rechtspreken en feesten met de andere edelen. Hij mag dan mijn oom zijn, volgens mij lijkt hij helemaal niet op mijn vader. Mijn vader zou veel meer naar de mensen geluisterd hebben en dan zou het oude geloof nog gewoon overal geweest zijn. Mijn vader zou nooit met iemand als vrouwe Hildegonda getrouwd zijn!
Maar ja, mijn vader. Iedereen denkt dat hij dood is. Al vijftien jaar. Of ze fluisteren dat hij overgelopen is en nu meevecht met de Noordmannen. Dat zeggen ze als ze denken dat ik het niet hoor. Maar ik weet wel wat ze denken. Ik weet dat mijn vader geen verrader is! En hij is ook niet dood. Mijn moeder wel. Ik herinner me niet zoveel van haar, eigenlijk vooral dat ze meestal stil en verdrietig was. Ze was niet erg gelukkig, denk ik. Alleen als we samen waren, was ze iets vrolijker en vertelde ze me verhalen. Over vader en over de oude goden. Dat was fijn! Maar als ze dan weer met de andere vrouwen zat te spinnen of te weven, was ze meestal stil. Of als ze met heer Hludvic aan tafel zat tijdens een banket met de edelen. Ik denk dat ze dat ook niet leuk vond. De edelen keken op haar neer, omdat ze een gewoon meisje was, Isanna van Grimbert uit het Saksenland, dochter van een graankoopman. Heer Hludvic hield toen al niet zoveel meer van haar, denk ik.
Ik heb hun verhaal wel eens gehoord van de bedienden, toen ze niet wisten dat ik lag te luisteren. Het was een mooi, maar wel treurig verhaal. Ze vertelden dat mijn moeder, toen ze nog een jong meisje was, verliefd was op mijn vader. Mijn vader was de oudste zoon van de heer van Dorestad en mocht eigenlijk niet met een gewoon meisje trouwen. Toen kwamen de Noordmannen voor de eerste keer en verdween mijn vader. Niemand wist of hij dood was of niet. Ze konden zijn lichaam nergens vinden, maar dat was niet zo vreemd omdat er toen ook een grote brand was. Niemand kon de verbrande lijken meer herkennen. Ze dachten dat hij dood was en de landheer en zijn familie rouwden om hem. Zijn broer, Hludvic, trouwde met mijn moeder, toen ze er achter kwamen dat zij in verwachting was. Hludvic was in het geheim ook verliefd op mijn moeder en zag toen zijn kans schoon. Na een tijdje werd ik geboren, maar ik was eigenlijk een bastaard, omdat mijn echte ouders nooit getrouwd waren. Mijn moeder was erg ongelukkig, want ze miste mijn vader vreselijk. Hludvic was heel anders dan zijn broer, veel ongeduldiger en driftiger. Hij kon er niet tegen dat mijn moeder bleef treuren om mijn vader en deed al bozer tegen haar. Na een paar jaar ging ze dood en werd ik aan mijn lot overgelaten.
Ondertussen had heer Hludvic overal bastaardkinderen.
Maar toen zijn vader, de oude landheer stierf, moest hij voor wettig nageslacht zorgen en hertrouwde hij met die vrome kwezel van een Hildegonda. Verbazend eigenlijk dat die in staat was om kinderen te krijgen. Als je haar hoort, zou je denken dat alleen duivels en heidenen dat kunnen! Ze bracht het er ook niet zo erg goed vanaf, maar Hludvic was tevreden toen hij een erfgenaam had. Nou ja, als dat ziekelijke joch tenminste lang genoeg leeft! Maar het ergste was nog wel, dat zij in de vorige herfst opeens belangstelling voor mij begon te krijgen.
Ik had de pech dat ik haar een paar keer eten moest brengen op haar kamer. Ze dacht eerst nog dat ik een jongen was, maar die stomme hofdame zei toen dat ik een meisje was en de dochter van de vorige vrouwe. Stom mens! Had ze haar mond maar gehouden! Want sindsdien stond vrouwe Hildegonda erop, dat ik me zou gedragen zoals een dochter van een landheer betaamt. Ik moest me wassen, mijn haren kammen en andere kleren dragen. Ik kon met die kleren niet eens meer rennen en klimmen. Ik mocht niet meer vechten of in het bos spelen, maar moest leren borduren en weven en spinnen en me rustig en gedwee gedragen. Bah! Ik verveelde me te pletter als ik zat te peuteren met die naald en draden. Ik smeerde alles onder het bloed, als ik weer eens in mijn vinger had geprikt. Dan hoorde ik van buiten het gelach en geschreeuw van de andere kinderen en wilde ik dat ik kon meerennen. Maar ik moest binnen blijven en naar die saaie verhalen van de priesters luisteren over schuld en boete en hel en verdoemenis. Gelukkig mocht ik ook leren lezen, al vond ik dat in het begin ook erg saai. Monnik Pius die les gaf, was wel een beetje aardig, in ieder geval beter dan die andere monnik Patiens. Dat is die dikke, je weet wel. Die loopt altijd gebeden te prevelen. Of te eten. Of alletwee tegelijk.
Maar omdat ik heb leren lezen en schrijven, kan ik nu dit opschrijven.

Vrouwe Hildegonda wil dat ik in een klooster ga en misschien wel abdis ga worden. Dat is het hoofd van een vrouwenklooster, die zijn vaak van adel. Ze denkt dat niemand met me zal willen trouwen omdat ik een bastaard ben en “onhandelbaar”, dat is dus eigenwijs. Maar in een klooster weten ze wel raad met me, volgens haar. Omdat ik te lang aan mijn lot ben overgelaten, valt er geen nette dame meer van me te maken en ben ik te eigengereid geworden. Maar god heeft voor alle mensen een bestemming, zegt ze. Nou ja, háár god dus. En volgens haar zijn de beroemdste heiligen en abdissen ook eigengereide dames geweest. Zoals de heilige Cunera, die met haar honderd maagdekeins schipbreuk leed bij Rhenen en niet wilde trouwen met haar redder, die haar toen vermoordde. Of misschien was het zijn vrouw wel, die haar vermoordde. Ze ging in ieder geval dood. En nu wil vrouwe Hildegonda, dat ik naar het klooster van Cunera ga. Volgend jaar al!
Dat doe ik dus niet. Toen ze het erover had met Hludvic, stribbelde hij nog even tegen, want hij had gehoopt dat hij mij kon uithuwelijken aan één van zijn lagere edelen. Maar eigenlijk vond hij het al snel goed. Hij heeft genoeg andere bastaarden rondlopen om uit te huwelijken. En die zijn waarschijnlijk wat gretiger om met een adellijke vetzak te trouwen dan ik. Ik ga dus niet in een klooster en ook niet trouwen. Ik heb andere plannen. Ik ga op zoek naar mijn vader! En dat ga ik allemaal opschrijven. Dit wordt het verhaal van de zoektocht van de onverschrokken Iduna naar haar vader, de onoverwinnelijke Sigwert van Dorestad!

Svein
Ik vervloek ze! Moge Thor hen allemaal verpletteren met de bliksemschichten uit zijn machtige strijdhamer Mjöllnir! Moge Odin hen uiteenrijten met Sleipnir, zijn achtpotige strijdros! Moge Aegir hen verzwelgen in huizenhoge golven en dat de Wereldslang hen wurge en dat de aardtrollen hen omsmelten tot nutteloze oorpulkstokjes!
Hoe durven ze mij gevangen te nemen.  Mij, de zoon en erfgenaam van Ulf, de belangrijkste raadsman van de machtige RorikHaraldson. Ik, die voorbestemd ben om nieuwe landen te veroveren en roem voor mijn volk te vergaren, ik die na mijn triomfantelijke leven bij de goden aan de feestdis zal zitten in Asgar. Naast Thor en Odin, als hun gelijke! Ik gebruik deze berkeschors en deze heilige runen om mijn overweldigers te vervloeken tot in hun derde nageslacht. De goden zijn mijn getuigen. Die domme laaglanders kennen de kracht van mijn volk en de runen niet! Mijn vader heeft in zijn wijsheid de noodzaak juist voorzien dat ik les moest krijgen in de heilige runen. Terwijl de andere jongens hun bijlarm nog oefenden, had ik dat allang onder de knie en leerde mijn vader mij hoe ik met de goden kon praten door middel van de heilige tekens van Odin.
En hierna zal ik ontsnappen. Ze denken toch zeker niet dat ze mij hier lang gevangen kunnen houden? Dat dunne koordje waarmee ze mij hadden vastgebonden, heb ik allang kapot gekregen en ik zal ook uit dit stinkende beestenhok komen! Ze zullen niet lang van hun kleine overwinning genieten, die laffe honden. Mij te overweldigen was puur geluk! Als ik niet al gewond was geweest aan mijn bijlarm was het hun nooit gelukt. Maar de goden hebben hier vast een bedoeling mee. Ik zal ontsnappen en hen allemaal doden! En dan zal ik als overwinnaar, beladen met buit en roem, terugkeren naar mijn volk in de  fjord van Thurlå! Deze runen zijn de getuigen van mijn zegetocht, van Svein Ulfsson, de veroveraar.

Iduna
Ik heb even tijd om dit op te schrijven, want er is iets gebeurd, dat de hele veste in rep en roer heeft gebracht: de gevangene is ontsnapt! Nou ja, de belangrijkste dan, die waarvan ze dachten dat het de zoon van de aanvoerder was. Of dat zo is, weten  ze nog steeds niet zeker, maar hij blies zo hoog van de toren dat iedereen dat meteen dacht. In ieder geval hadden ze hem apart gezet in het kot achter de koeien en nu is hij weg!  Hi hi, net goed. Ook al is hij een vijand, toch vind ik het wel dapper van hem. Blijkbaar heeft hij de touwen losgekregen en heeft hij daarna met zijn blote handen een kuil gegraven onder de houten wand door. Ze vonden zijn bloed aan het kapotte touw, huh, stel je voor! Hij moet het touw los geschuurd en getrokken hebben tot zijn huid ervan bloedde. En toen is hij vannacht over de wal geklommen.
Heer Hludvic zei dat hij niet ver zou komen, want blijkbaar was hij ook nog gewond aan zijn arm. Hij is nu met zijn mannen in de bossen op zoek naar hem, want ze hadden hem willen ruilen tegen wat kostbaarheden van de kerk bij de haven. Daar hadden de Noordmannen wat goud gestolen, kruizen en bekers en reliekhouders en zo. Daar kunnen de priesters nu naar fluiten!
Ik ben ondertussen een mondvoorraad aan het aanleggen in een hoekje van de hooizolder voor mijn tocht. Ik moet nog een rol perkament en galinkt hebben om mijn verhaal op te schrijven. Ik zal een dubbele wand maken in mijn pijlkoker om het daarin veilig op te bergen.

Bij het derde oog van Odin, ik heb hem gezien! Ik heb de jongen, de ontsnapte Noordman-jongen gezien. Ik schrok me de kippepokken! Ik was stilletjes onderweg naar de schrijfkamer, omdat de halve veste leeggelopen was met heer Hludvic om die jongen te zoeken op de landerijen. De priesters sliepen altijd ’s middags, dus ik kon ongemerkt naar de voorraden in de schrijfkamer om inkt en perkament te pakken, dacht ik. Maar terwijl ik de wenteltrap opliep, springt er opeens een donkere schaduw uit een nis en pakt me half van achteren bij mijn schouders en nek. Hij dacht zeker dat ik een vroom, net meisje was dat het op een gillen of smeken zou zetten. Nou ik niet! Ik greep hem beet en slingerde hem van me af. Hij viel een paar treden naar beneden en bleef versuft tegen de muur liggen.
Ik kon hem toen even bekijken. Hij was ongeveer van mijn leeftijd, met een heel vies gezicht, vol met roet- en bloedvegen. Zijn kleren waren niet zo erg anders dan wat wij dragen: gewoon een korte tuniek over een hemd, een broek met beenbanden en leren schoenen. Verder had hij een enorme bos witblond haar, dat in pluizige pieken alle kanten uitstak. Pas toen zag ik dat hij met zijn ene hand zijn schouder vasthield, terwijl er bloed tussen zijn vingers doordruppelde. Hij was gewond, dat had ik gehoord! Omdat hij niet erg gevaarlijk meer deed en waarschijnlijk net zo erg geschrokken was als ik, pakte ik mijn hoofddoek om zijn arm te verbinden.
Ondertussen probeerde ik hem aan zijn verstand te brengen dat hij moest maken dat hij wegkwam, omdat de hele veste hem aan het zoeken was. Maar hij bleef maar doorzeuren over een “oks” of een “uks” en wilde zwaai- en hakbewegingen maken. Uiteindelijk begreep ik dat hij het over een bijl had, zíjn bijl, waarschijnlijk. Die gek wilde niet weg, voordat hij zijn bijl terug had! Nou, toen moest ik hem wel helpen, want zelf had hij toch nooit de wapenzaal kunnen vinden. Hij leek nogal verbaasd te zijn dat ik hem hielp. Ik dacht te verstaan dat hij het over “domme laaglanders” had die hij wilde vermoorden, maar dat zal ik wel niet goed begrepen hebben, want hij rende daarna hard weg naar buiten. Toen ben ik maar de spullen uit de schrijfkamer gaan halen.

Ik heb trouwens nog niet opgeschreven hoe ik denk mijn vader terug te vinden. Ik ben natuurlijk niet zo dom om te denken dat ik hem of hij mij zal herkennen, alleen omdat we familie zijn! Nee, mijn moeder heeft me voor haar dood een hanger gegeven met de Hamer van Thor daaraan en een lok van mijn vaders haar eromheen gebonden. Die hanger had ze van hem gekregen toen ze zich in het geheim verloofden. Zij had hem een oorhanger met één van de raven van Odin gegeven, zodat die hem altijd in het oor zou fluisteren of iemand de waarheid sprak of niet. Ook daaromheen was een lok haar gebonden, van haar. Ik weet gewoon, dat als hij nog leeft, hij die oorhanger nog heeft, omdat hij altijd van haar is blijven houden, net als zij van hem. En dat hij de hanger met de hamer van Thor herkent. Waarom hij dan nooit is teruggekomen, weet ik ook niet en daar wil ik ook niet aan denken. Hij heeft er vast een goede reden voor!

Svein
Ha, ik ben vrij! Ik had het al voorspeld: niemand kan een zoon van de fjorden lang vasthouden. En ze dachten zeker ook ongestraft mijn bijl af te kunnen nemen, mijn eigen Hamer van Thor! Die heb ik ook terug. Ook al kan ik hem voorlopig niet gebruiken door mijn wond, nu ik mijn eigen bijl weer terug heb, ben ik onoverwinnelijk!
Ik heb alleen wel honger. Stom dat ik niets te eten heb meegenomen uit de burcht toen ik daar rondliep. Ha, terwijl al die domme laaglanders ergens anders naar mij aan het zoeken waren, liep ik zonder vrees rond in hun burcht om mijn wapen te heroveren! Koelbloedig heb ik een bange maagd gedwongen mij te wijzen waar mijn voorouderlijk bezit heimelijk was opgeborgen en daarna heeft ze mijn wond ook nog verbonden. Met haar eigen hoofddoek! Jaa, iedereen is bevreesd voor de blik van Svein! Nu nog een manier verzinnen om terug te gaan naar mijn fjord en volk. Vader is vast al naar mij op zoek, dus ik hoef hem alleen maar langs dezelfde weg tegemoet te gaan. Ik zou een boot moeten hebben. Maar die stomme laaglanders kunnen vast geen zeewaardige boten bouwen.  Eens kijken bij de rivier, misschien kan ik verderop ook wat vis vangen. Ik moet alleen wel oppassen dat niemand me ziet. Maar nu eerst slapen, ik ben doodmoe! Ik ben voorlopig wel even veilig in dit oude hol, dat ik met mijn onfeilbare speurvermogen heb gevonden.

Als je verder wilt lezen, bestel het boek dan bij Uitgeverij Free Musketeers